Tijdens de industriële Revolutie begon er een nieuw tijdperk in de geschiedenis. In plaats van handarbeid werd alles overgenomen door de eerste machines! Tijdens dit tijdperk begon ook de Nederlandse kolonisatie van Nederlands-Indië, een tijd vol uitbuiting door de Nederlanders wat resulteerde in enorme rijkdom voor het land maar ook enorme armoede en onvrede in Nederlands-Indië. Een tijd waar de familie van der Held nauw bij betrokken was.
(Informatie over deze tijd)
Door de wetenschappelijke revolutie tijdens de Verlichting werden er talloze uitvindingen gedaan. Door de uitvinding van de stoommachine (James Watt) kon de productie van goederen flink oplopen. Daarnaast konden de geproduceerde goederen door treinen en stoomschepen op grote schaal getransporteerd worden. In Nederland kwam deze industrialisatie erg laat op gang. Doordat Nederland lang vasthield aan slechts de agrarische productie, kwam de industrialisatie hier pas vanaf 1850 op gang (Engeland vanaf 1780). Door de enorme toename van de productie van industriële goederen, kwam er een grote vraag naar grondstoffen en afzetgebieden. Deze grondstoffen konden worden gehaald uit de koloniën. Grondstoffen konden op grote schaal uit Indië gehaald worden, waarna de producten ook weer afgezet konden worden in de overzeese gebieden. Door de toenemende industrialisatie kwam er een trek van het platteland naar de stad. Door de mechanisatie in de landbouw, gingen veel landarbeiders in steden wonen. In de fabrieken waren de arbeidsomstandigheden echter zeer slecht; lange werktijden, lage lonen en onveilige werksituaties zorgden ervoor dat de arbeiders een zeer slechte leefsituatie hadden. Hierdoor moesten hele gezinnen, ook kinderen, aan het werk om een minimaal inkomen te verdienen. In tegenstelling tot de slechte situatie van de arbeiders, kregen de kapitalistische fabrieksdirecteuren het heel goed. Zij leefden als baronnen en vormden het patriciaat van Nederland. Simon, Johan George en de familie Wijnmalen waren hier voorbeelden van.
Om de grondstoffentoevoer te garanderen, koloniseerde Nederland Indië en Suriname. In 1830 werd het cultuurstelsel ingevoerd om de productie van grondstoffen op te voeren. Nederlands-Indië had vanaf 1816 een Nederlands-Indisch bestuur. Hierdoor kon men het cultuurstel invoeren, waarbij de bevolking verplichte producten, zoals koffie, cacao, rubber, tabak en suiker moest leveren aan het koloniale bestuur. Doordat één vijfde deel van de oogst aan Nederland moest worden afgestaan, hadden de boeren grote verliezen. Ook leden zij honger, doordat zij door de verbouw van de verplichte producten geen rijst konden verbouwen. De Nederlanders maakten gebruik van de inlandse vorsten. De vorsten zorgden ervoor dat de boeren de producten aan de Nederlanders leverden. De vorsten werden in ruil daarvoor beloond door de Nederlanders. Zij mochten hun macht behouden en kregen een behoorlijke vergoeding voor hun werk. Hierdoor werden de boeren enorm uitgebuit door de Indische vorsten. Deze uitbuiting en kolonisatie leidden tot bloedige oorlogen, zoals de Java-oorlog (1825-1830) en de Atjehoorlog (1873-1913). Ook ontstond er een klassenmaatschappij, lijkend op het apartheidsstelsel in Zuid-Afrika. De blanke koloniale heersers leefden apart van de inlandse bevolking. Zij leefden, in tegenstelling tot de Indische bevolking, in grote weelde. Er werden grote koloniale huizen gebouwd, omringd door de prachtigste tuinen. Na 1850 ontstond er kritiek op het stelsel. In het boek ‘Max Havelaar’ van Multatuli, werden de enorme armoede en onrechtvaardigheid onder de Indische bevolking beschreven. Na de uitgave van zijn boek in 1860, kwam er een golf van kritiek op het cultuurstelsel. Vooral door toedoen van het machtige bedrijfsleven in Nederland, kwam er een eind aan het cultuurstelsel. Ook in de tweede kamer waren er leden die de onrechtvaardigheid in de kolonie niet meer konden verdragen. Het bedrijfsleven wilde graag investeren in particuliere ondernemingen, in plaats dat de staat de producten bij de vorsten weghaalde. In 1870 kregen de ondernemers hun zin; ondernemingen in de vorm van plantages en fabrieken mochten worden gerund door particuliere eigenaren. Vele plantages werden aangelegd, waarbij contractarbeiders (koelies) tegen een heel lage vergoeding en onder slechte werkomstandigheden, het werk moesten doen op deze ondernemingen. De Indische vorsten kregen hierdoor minder macht. Het bestuur werd gevormd door de Nederlanders, met aan het hoofd de Gouverneur-generaal te Batavia. Zij kregen door het stelsel steeds meer macht. Het bestuur bestond uit residenten en assistent residenten met hun ambtenarenkorps.
Johan George maakte gebruik van het ‘nieuwe stelsel’ door zijn BODEG op te richten. Met het kapitaal van zijn vader, kon hij een behoorlijke plantage aanschaffen. Het afschaffen van het cultuurstelsel leidde echter niet tot verbetering van de omstandigheden van de Indische bevolking. Politieke invloed hadden zij al helemaal niet. Hierop kwam kritiek, mede door de arbeidersemancipatie in Nederland. Hierdoor werd vanaf 1900 de ‘Ethische Politiek’ ingevoerd; er werden scholen en ziekenhuizen gebouwd, waardoor de Indische bevolking onderwijs kreeg en de gezondheidsvoorzieningen verbeterden. Daarnaast werd de infrastructuur uitgebreid, door o.a. de aanleg van wegen en spoorwegen. Ook aan de koeliehandel kwam een einde. De maatregelen waren echter niet voldoende om het opkomend nationalisme te voorkomen. De toegezegde politieke invloed van de bevolking, door de invoering van de zogenaamde ‘Volksraad’, was een schijnvertoning; alleen Nederlands getrouwe vorsten mochten deelnemen aan de raad en algemene verkiezingen vonden niet plaats. Ook gingen lang niet alle kinderen naar school. Door een scheiding van blank en inheems onderwijs, bleef de tegenstelling tussen de culturen bestaan. Het gevolg was, dat er na 1900 een golf van nationalisme ontstond binnen de Indische bevolking. De in Nederland opgeleide Indische elite, zoals onder andere Soekarno en Hatta, zette een drang naar zelfstandigheid in de kolonie in gang. Hierdoor was de geest uit de fles. Dit leidde in 1949, na 4 jaren van koloniale oorlog, tot de zelfstandigheid van Indonesië.
Simon werd geboren op 3 januari 1821 te Rotterdam. Hij trouwde op 15 juli 1852 met Adriana Cornelia Meevers. Zijn beroep van koopvaardijkapitein. Hij voer als gezagvoerder regelmatig met een Bark naar Batavia. Simon was rond 1856 de bezitter van een Loodwitfabriek. Hij ontwikkelde een systeem voor de bereiding van loodwitverf. Hiervoor kreeg Simon een bronzen medaille op de wereldtentoonstelling van Parijs. Zij kregen 7 kinderen. Na de dood van Simon in 1877, namen zijn de zoons het bedrijf over.
Artikel uit: Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800 -1890:
In 1856 waren te Rotterdam 4 loodwitfabrieken, die alle de Hollandse bereidingswijze volgden. De totale productie bedroeg ongeveer 700.000 pond. De 35 knechts verdienden f 6,-per week. De fabrikanten konden moeilijk arbeiders vinden in verband met de nadelen voor de gezondheid). In 1864 was het aantal tot 2 afgenomen met tezamen 36 werknemers. Zij waren van Van der Held en van P.J. Schoutens, die van 1852 tot 1878 als loodwitfabrikant vermeld wordt. In 1866 en 1870 zou te Rotterdam slechts één fabriek bestaan hebben, hetgeen in verband met het voorafgaande niet juist kan zijn. In 1866 bedroeg het aantal werknemers 30. Simon van der Held Szn. werd in 1866 te Amsterdam voor zuiver, goed bewerkt loodwit eervol vermeld; in 1867 ontving hij een bronzen medaille te Parijs. Bij hem werkten in 1871 30 werknemers). Zijn vrouw Adriana C. Meevers zette de firma na zijn overlijden met twee zoons voort. De onderneming heette toen Wed. S. van der Held Szn. Later werd de naam in Wed. S. van der Held en Zoon veranderd. Per 31 december 1891 trok de weduwe zich terug (nots. J.J.L. Mees te Rotterdam, 11 juni1892). Omstreeks december 1904 werd de N.V. Nieuwe Rotterdamsche Loodwitfabriek 'Drie Blokjes' voorheen Wed. S. van der Held en Zoon opgericht. Het kapitaal bedroeg f 500.000,-). In 1915 maakte deze onderneming loodwit volgens de Oud-Hollandse methode).
Johan George van der Held
Johan(nes) George is geboren op 9 juni 1859 te Rotterdam. Hij ontmoette op 25 juni 1891 Dorothea Anna Gertrudis Wijnmalen. Zij was een nazaat PPJ Quint Ondaatje, een Utrechts Patriot, geboren te Ceylon. Johan George overleden Op 11 juni 1933 te Den Haag. Zij kregen drie kinderen, George, Wout en Annie. Annie overleed op vierjarige leeftijd. Johan George reist regelmatig naar Nederlands Indië om zaken te doen of ondernemingen te beheren. Uit de passagierslijst Stoomvaart Maatschappij Nederland is op te maken dat Johan en zijn vrouw Dorothea per stoomschip reisden. Zij voeren met het schip de “St. Bromo”. Een voor die tijd zeer modern schip. Begin jaren 20 keerde het echtpaar terug naar Europa. Zij woonden vanaf toen in Den Haag en later in de buitenhuizen in Nice (jardin d'alsace lorraine) en Wiesbaden. Johan is in Nice gestorven en in Den Haag begraven.
Johan George beheerde de rubber en cacao onderneming Bodeh-Klaten op midden Java. In Nederland en Nederlands Indië investeerde Johan George zijn kapitaal in bedrijven.
Vanaf 1902 speelde Johan George een belangrijke rol in de plantersbijeenkomsten op Java. Als planter mengde hij zich o.a. in discussies op bijeenkomsten. Een voorbeeld hiervan is de bijeenkomst op de koffieconferentie te Malang. In de krantenartikelen onder aan de pagina, staan zijn betogen beschreven. Zijn kapitaal zat in de ondernemingen en fabrieken. Zijn aandelenbezit bestond uit 55% van de ondernemingen, zodat hij de bedrijven kon besturen. Het ging hier vooral om rubber, cacao en koffie ondernemingen op Java en in Amsterdam.
In 1910 brak er een koelie opstand uit bij de onderneming te Klaten. Ruim 500 koelies beklaagden zich over de lage betalingen. Johan George reageerde met de inzet van de Mantri politie. Ook de assistent Resident heeft in het conflict bemiddeld.
In 1921 werd het bedrijf verkocht aan een Japanse eigenaar.